Thursday, February 12, 2015

Een ongewone uiting - kunst als participerende gedachte


Tussen de stromen van de gelikte consumptie-informatie plaats ik de kunst.

Een werk valt in vijf delen te onderscheiden:
1.    de dispositie van de maker;
2.    de conceptie van zijn dispositie;
3.    de verwerkelijking van de conceptie door de maker;
4.    het zijn van het werk tussen de andere dingen als ding;
5.    de relatie van kunst tot de wereld
a.    de beweging van het werk vanuit de maker als een opschudding met een gericht idee;
b.    de participerende gedachte die het werk teweegbrengt

1. De dispositie van de maker

De maker van een werk wordt net als velen wakker in deze wereld. De dispositie van de maker in de wereld is daarentegen een uniek perspectief op een gemeenschappelijke wereld. Dit unieke perspectief is niet een directe ervaring of rationele inductie. De wereld is geen transcendente bron van inspiratie. De wereld voor de maker is daar waar hij woont en hoe deze zich uitdrukt. Deze dispositie is iets dat verfijnd wordt, na lang experimenteren in een dynamisch onderzoek. Opstaan en naar bed gaan, koffie drinken, een onvoldoende halen: allemaal voorbeelden van onderzoek.

Jeroen Mettes noemt deze dispositie sprekend over dichters, een weerstandsbeleid. ‘Het geschrevene is de neerslag van opgedane weerstand, van ontwikkeld-ontwikkelend gevoel. Maar het schrijven maakt deel uit van het leven en wel op zo’n manier dat het schrijven als daad het schema bepaalt waarmee de dichter zich intuïtief tot de maat van de dingen verhoudt.’[i] Het schema dat zich laat bepalen door de daad van het maken, is dan in zoverre de dispositie van een maker.
Zo kan dus ook een maker nooit maken, hoewel hij toch bezig is te maken, als hij zich met dit maken bezighoudt. De maker behoudt de relatie met het maken. Niet-maken is daarmee ook maken, omdat het deel is van het schema van de maker voor de daad van het maken. Dat het maken ook daadwerkelijk gebeurt, is echter geen vereiste.

Het leven van de maker vormt zich hierin, dat hij zich naar de daad van het maken verhoudt. Zo moet hij zich ook verhouden tot de wereld en het is deze dispositie die ik ‘De dispositie van de maker’ noem. De uitdrukking van de wereld in de maker, die ontstaat door de voortdurende zich-verhouden-tot van zijn dispositie, is het unieke perspectief waarmee hij de gemeenschappelijk wereld ervaart.

2. De conceptie van de dispositie van de maker

Dat een maker slechts over een dispositie zou moeten beschikken, lijkt een weinig bindende en vereisende taak. Het is het oeverloos dwalen van de kunstenaar door de wereld op zoek naar inspiratie. Het is immers zaak een bepaalde hoogspanning te creëren en behouden, waaruit een idee kan ontstaan. Dit noem ik, net als Gerard Reve in zijn boekje ‘Hoe moet ik schrijver worden?’ conceptie. Al bedoel ik er net wat anders mee.

De conceptie vormt zich vanuit samengestelde ideeën vanuit de ervaring. Deze samengestelde ideeën, die wij verbinden en ‘creativiteit’ noemen - verbanden leggen tussen verschillende zaken – springen tot leven in een conceptie als de maker het gevoel heeft iets bij de lurven te pakken. De conceptie vangt aan vanaf het moment dat de maker zijn huis uit rent om naar zijn atelier/werkplek te komen en maakt.

De conceptie is echter geen concreet plan, maar een punt waarin alle inspiratie samenkomt. Het is dus niet zo dat de maker op dit moment al weet welke stappen hij zal zetten, maar de richting is al bepaald.

3. De verwerkelijking van de conceptie

Hierin komt de conceptie, die nu nog in de maker schuilt, tot uiting. Dit deel van de kunst is waar de ambacht komt kijken, het zogenaamde ‘talent’ en waar de meeste kunstacademies zich op concentreren. Hier doet ook het onderscheidende kunstenaarschap zich voor. De verwerkelijking van de conceptie is de brug tussen het opengebroken idee van de maker tot de benieuwde toeschouwer.

Dit heet ook wel de vorm van het kunstwerk. Deze benaming zou echter teniet doen aan het vormende karakter van de verwerkelijking zelf. Het is namelijk niet zo dat de conceptie in een vorm gegoten wordt, waarna men kan zeggen: ‘klaar is kees’. Ook de verwerkelijking draagt bij en bepaalt voor een groot deel wat de uiting is van een werk.

4. Het zijn van het werk tussen de andere dingen als ding

We leven in een ruimte met duizenden dingen. Net als Heidegger, meen ik dat objecten op een bepaalde manier zijn. In de trein is de stoel op de manier waarop we hem gebruiken. Niet als een ding in zichzelf, maar als een functionerend ding. We besteden er op geen enkele andere manier aandacht aan als we er op zitten. Dingen zijn op de manier dat ze voor ons zijn. Maar op het moment dat we over deze objecten praten, worden het objecten in zichzelf. Een ding waar we over praten en daarom het ding is dat het is. De stoel is op dat moment voorhande[ii].

Op dat moment - we zitten op een stoel in de trein na te denken over die stoel – komt een kunstwerk tevoorschijn. Daar is het. De man die voor ons zit haalt het uit zijn tas en toont het. Is het kunstwerk op dezelfde manier als de stoel net, toen we erover praatten?

Allereerst weten we van het bestaan van kunst evenveel als van het bestaan van stoelen in de trein in onze culturele context. De relatie tussen kunst en ons is alleen wel anders, niet omdat het in zichzelf anders is of objectief gezien anders tevoorschijn komt, maar omdat in onze culturele context het niet hetzelfde is. We ervaren een kunstwerk anders dan een stoel die voorhande is, omdat kunst niet simpelweg een object is, maar het is een materialisatie met de culturele context van een opschudding, het wil namelijk per definitie iets teweeg brengen bij de toeschouwer.

Het komt dichterbij het functionerende zijnde van het object, dan het voorhande zijn, omdat het is op de manier dat het functioneert met ons. Het is alleen anders dan de stoel die we gebruiken, omdat kunst niet in dienst staat van ons. Het is daarom misschien ook een anti-functioneel object. Het keert zich tegen de functionele werking van normalere objecten en maakt van ons een functionerende toeschouwer[iii].

5. De relatie van kunst tot de wereld
           
            De beweging van het werk als een opschudding met een gericht idee

In mijn beleving creëert de kunstmedia een ruimte waarin niets vast staat. Dit creëren gebeurt bijvoorbeeld in een museum, tijdens het lezen van een boek etc. De ruimte tussen de verschillende betekenissen en het denken van de toeschouwer wordt uitgebuit en kan zich zo vrij bewegen. Het gaat hier niet zozeer om een gevoel, een gedachte of een reactie, maar om “wat het doet” met “jou.”
Ik zal proberen in te gaan op de vier woorden die tussen aanhalingstekens zijn geplaatst.

“Wat het doet”: als maker weet je op voorhand niet wat voor soort persoon jou kunstwerk zal waarnemen. Hij zal daar vage generalisaties over kunnen maken afhankelijk van zijn visie en van de tijdgeest. Toch zal de artiest ambiëren om “iets te doen.” Ik gebruik het woord “iets” en “wat,” omdat dit dus afhankelijk is van de persoon. “Te doen” geeft aan dat het gegeven kunstwerk wil activeren. Het kunstwerk wordt niet gebruikt, het kan niet bevraagd worden, maar het probeert wel te spreken. De toeschouwer wil zich laten verrassen, dat is dan ook wat wij als publiek het liefst zien van kunst: dat het verrassend en origineel is. Op die manier wil een kunstwerk ook overkomen, bijna overdonderend. Fro4ntaal, rauw en naakt.

Het kunstwerk is een opschudding met een gericht idee, een onderzoek naar een bepaalde conditie, situatie etc. Het is niet enkel een communicatiemiddel op zich, maar een activerend communicatiemiddel. Het fabriceert een herinnering, een kritiek, een experiment. Kunst mag experimenteren om tegen het dagelijkse leven in te gaan. De volgende zin van Jeroen Mettes laat dat geweldig zien: ‘Wij waren op de vlucht voor de politie, omdat we uit protest tegen het dagelijks leven een maïsveld in brand hadden gestoken.’[iv]

Kunstenaars vertellen ons niet per se wat we moeten doen, maar geven ons juist de vrijheid om het normale, de dagelijkse gang van zaken, aan de kaak te stellen. Het probeert een bewustzijn te creëren voor het kleine, het opmerkelijke, het mooie, het ingenieuze, het schrikbarende, het lelijke – voeg er met een gerust hart nog vele bijvoeglijk naamwoorden aan toe.

Het biedt ons geen zekerheid, relaas of toevluchtsoord, maar juist een zekere energie om ergens tegen in te gaan. “Jou” is hopelijk niet meer “jou.” “Jou” is op een andere manier “jou” geworden.

Zo kan kunst gezien worden als een fitnessapparaat voor het dagelijkse leven. Niet meteen een hulpmiddel, maar een participerend middel.

Dit betekent niet meteen dat kunst in mijn ogen reactief hoeft te zijn; de kracht zit ‘m juist in de vrijheid van de bepaaldheid. ‘Kunst mag dat,’ hoort men te zeggen.

De participerende gedachte die het werk teweegbrengt

Het is niet enkel dat het kunstwerk bij de (oplettend) toeschouwer een gedachte teweegbrengt, want hij is nog steeds bezig met het kunstwerk. Een artikel brengt enkele gedachte teweeg, namelijk de stof van het artikel die tot nadenken aanzet. Maar kunst bezorgt niet alleen een gedachte (bv. Wat zou dit kunnen zijn? Oh wat gruwelijk!); het roept een reactieve gedachte op die op zichzelf gedacht wordt, maar ook verhouden wordt tot het kunstwerk zelf. Het is daarmee niet een op zichzelf staande hersenspinsel, maar een participerende gedachte, die vastligt voor de toeschouwer in het kunstwerk. Het is deze participerende gedachte die zorgt dat het kunstwerk leeft.

Dat is de participerende kracht van kunst. Om twee zinnen te herhalen van de vorige bladzijde: ‘Zo kan kunst gezien worden als een fitnessapparaat voor het dagelijkse leven. Niet meteen een hulpmiddel, maar een participerend middel.’ Omdat kunst het enige ding is tussen alle andere dingen die een participerende gedachte opwekt. Deze objecten laten iets in ons leven.


Kunst laat ons dagelijks leven leven.




[i] Uit het essay Schrijven en lezen van Jeroen Mettes, blz. 262 van het boek Weerstandsbeleid
[ii] Zoals Heidegger dat noemt
[iii] Ik moet hier altijd denken aan het idee dat in wezen boeken ons tot slaven maken van de door het boek voorgestelde fantasie. Het is niet alsof wij beslissen wat er gebeurt, maar wij denken het wel. Terwijl op het moment dat je een ‘oppervlakkige’ film kijkt zelf totaal niet participeert.
[iv] Uit het gedicht N30+ van Jeroen Mettes, in zijn nagelaten werk

Thursday, January 22, 2015

het begin

Het is tijd om uit de krochten van mijmeringen te kruipen en op de grond te staan, tegen de wind en onder de zon. Het is immers makkelijk peinzen in de toren van het eigen hoofd (dromerig en glibberig), maar de wereld van tekst is pas een toereikende en weerbarstige toets. Zonder onzin: ik ergerde me aan de vrijblijvendheid van mijn gedachtes en start nu deze zwart op wit te ijken. 

Beschouw mij als een man van het laboratorium met grote ogen en kleine handen. Door mijn donkere wenkbrauwen, vlijtige tong en strakke kaaklijn lijk ik misschien gevaarlijk, maar mijn handen zijn zacht en teder (deze leiden mij slechts daar waar mijn hart mij brengen wil). Ze grijpen niet, porren soms en slaan geenszins. Ontegenzeggelijk, zorgt dit niet voor heroïsche zekerheid, maar wel voor een zekerheid die mij toelaat te werk te gaan als een saaie, stoffige en vooral immorele bankier. Hij handelt namelijk niet vanuit een hoger doel of een culturele waarde, die door het volk of door zichzelf wordt goedgekeurd, maar vanuit een allesvernietigende drang naar geld. De inhoud van een échte denker is niet wat hij op de waarheid plakt, zodat deze gebruikt kan worden, maar hoe hij de chaos tegemoet treedt. Op die manier is een denker wellicht het egoïstische en zinloost dat er is. Zeker, als je de kosten- en opbrengstgrafiek (geteld in geld, tijd en mensenverdriet) van deze aankomende blog ernaast gaat houden.

 Het begint voor mij bij de ongewone uiting . En denken is wat ik hoop te doen.
- Ik ben op zoek naar de vorm die tegen zijn behuizing protesteert en daardoor niet geconsumeerd kan worden. Net op het moment dat het droogt, brokkelt het uiteen. -