Tussen de stromen van de gelikte consumptie-informatie plaats ik de kunst.
Een werk valt in vijf
delen te onderscheiden:
1.
de dispositie
van de maker;
2.
de conceptie
van zijn dispositie;
3.
de
verwerkelijking van de conceptie door de maker;
4.
het zijn
van het werk tussen de andere dingen als ding;
5.
de relatie
van kunst tot de wereld
a.
de
beweging van het werk vanuit de maker als een opschudding met een gericht idee;
b.
de
participerende gedachte die het werk teweegbrengt
1. De dispositie van de maker
De maker van een werk
wordt net als velen wakker in deze wereld. De dispositie van de maker in de
wereld is daarentegen een uniek perspectief op een gemeenschappelijke wereld.
Dit unieke perspectief is niet een directe ervaring of rationele inductie. De
wereld is geen transcendente bron van inspiratie. De wereld voor de maker is
daar waar hij woont en hoe deze zich uitdrukt. Deze dispositie is iets dat
verfijnd wordt, na lang experimenteren in een dynamisch onderzoek. Opstaan en
naar bed gaan, koffie drinken, een onvoldoende halen: allemaal voorbeelden van
onderzoek.
Jeroen Mettes noemt
deze dispositie sprekend over dichters, een weerstandsbeleid.
‘Het geschrevene is de neerslag van opgedane weerstand, van ontwikkeld-ontwikkelend
gevoel. Maar het schrijven maakt deel uit van het leven en wel op zo’n manier
dat het schrijven als daad het schema bepaalt waarmee de dichter zich intuïtief
tot de maat van de dingen verhoudt.’[i]
Het schema dat zich laat bepalen door de daad van het maken, is dan in zoverre
de dispositie van een maker.
Zo kan dus ook een maker nooit maken, hoewel hij toch bezig is te
maken, als hij zich met dit maken bezighoudt. De maker behoudt de relatie met
het maken. Niet-maken is daarmee ook maken, omdat het deel is van het schema
van de maker voor de daad van het maken. Dat het maken ook daadwerkelijk
gebeurt, is echter geen vereiste.
Het leven van de
maker vormt zich hierin, dat hij zich naar de daad van het maken verhoudt. Zo
moet hij zich ook verhouden tot de wereld en het is deze dispositie die ik ‘De
dispositie van de maker’ noem. De uitdrukking van de wereld in de maker, die
ontstaat door de voortdurende zich-verhouden-tot van zijn dispositie, is het
unieke perspectief waarmee hij de gemeenschappelijk wereld ervaart.
2. De conceptie van de
dispositie van de maker
Dat een maker slechts
over een dispositie zou moeten beschikken, lijkt een weinig bindende en
vereisende taak. Het is het oeverloos dwalen van de kunstenaar door de wereld
op zoek naar inspiratie. Het is immers zaak een bepaalde hoogspanning te
creëren en behouden, waaruit een idee kan ontstaan. Dit noem ik, net als Gerard
Reve in zijn boekje ‘Hoe moet ik schrijver worden?’ conceptie. Al bedoel ik er net wat anders mee.
De conceptie vormt
zich vanuit samengestelde ideeën vanuit de ervaring. Deze samengestelde ideeën,
die wij verbinden en ‘creativiteit’ noemen - verbanden leggen tussen
verschillende zaken – springen tot leven in een conceptie als de maker het
gevoel heeft iets bij de lurven te pakken. De conceptie vangt aan vanaf het
moment dat de maker zijn huis uit rent om naar zijn atelier/werkplek te komen
en maakt.
De conceptie is echter
geen concreet plan, maar een punt waarin alle inspiratie samenkomt. Het is dus
niet zo dat de maker op dit moment al weet welke stappen hij zal zetten, maar
de richting is al bepaald.
3. De verwerkelijking van de
conceptie
Hierin komt de
conceptie, die nu nog in de maker schuilt, tot uiting. Dit deel van de kunst is
waar de ambacht komt kijken, het zogenaamde ‘talent’ en waar de meeste kunstacademies
zich op concentreren. Hier doet ook het onderscheidende kunstenaarschap zich
voor. De verwerkelijking van de conceptie is de brug tussen het opengebroken
idee van de maker tot de benieuwde toeschouwer.
Dit heet ook wel de vorm
van het kunstwerk. Deze benaming zou echter teniet doen aan het vormende
karakter van de verwerkelijking zelf. Het is namelijk niet zo dat de conceptie
in een vorm gegoten wordt, waarna men kan zeggen: ‘klaar is kees’. Ook de
verwerkelijking draagt bij en bepaalt voor een groot deel wat de uiting is van een werk.
4. Het zijn van het werk tussen
de andere dingen als ding
We leven in een
ruimte met duizenden dingen. Net als Heidegger, meen ik dat objecten op een
bepaalde manier zijn. In de trein is
de stoel op de manier waarop we hem gebruiken. Niet als een ding in zichzelf,
maar als een functionerend ding. We besteden er op geen enkele andere manier
aandacht aan als we er op zitten. Dingen zijn op de manier dat ze voor ons
zijn. Maar op het moment dat we over deze objecten praten, worden het objecten
in zichzelf. Een ding waar we over praten en daarom het ding is dat het is. De
stoel is op dat moment voorhande[ii].
Op dat moment - we
zitten op een stoel in de trein na te denken over die stoel – komt een
kunstwerk tevoorschijn. Daar is het. De man die voor ons zit haalt het uit zijn
tas en toont het. Is het kunstwerk op dezelfde manier als de stoel net, toen we
erover praatten?
Allereerst weten we
van het bestaan van kunst evenveel als van het bestaan van stoelen in de trein
in onze culturele context. De relatie tussen kunst en ons is alleen wel anders,
niet omdat het in zichzelf anders is of objectief gezien anders tevoorschijn
komt, maar omdat in onze culturele context het niet hetzelfde is. We ervaren
een kunstwerk anders dan een stoel die voorhande is, omdat kunst niet simpelweg
een object is, maar het is een materialisatie met de culturele context van een
opschudding, het wil namelijk per definitie iets teweeg brengen bij de
toeschouwer.
Het komt dichterbij
het functionerende zijnde van het object, dan het voorhande zijn, omdat het is
op de manier dat het functioneert met ons. Het is alleen anders dan de stoel
die we gebruiken, omdat kunst niet in dienst staat van ons. Het is daarom
misschien ook een anti-functioneel object. Het keert zich tegen de functionele
werking van normalere objecten en maakt van ons een functionerende toeschouwer[iii].
5. De relatie van kunst tot de
wereld
De
beweging van het werk als een opschudding met een gericht idee
In mijn beleving
creëert de kunstmedia een ruimte waarin niets vast staat. Dit creëren gebeurt bijvoorbeeld
in een museum, tijdens het lezen van een boek etc. De ruimte tussen de
verschillende betekenissen en het denken van de toeschouwer wordt uitgebuit en
kan zich zo vrij bewegen. Het gaat hier niet zozeer om een gevoel, een gedachte
of een reactie, maar om “wat het doet” met “jou.”
Ik zal proberen in te
gaan op de vier woorden die tussen aanhalingstekens zijn geplaatst.
“Wat het doet”: als
maker weet je op voorhand niet wat voor soort persoon jou kunstwerk zal
waarnemen. Hij zal daar vage generalisaties over kunnen maken afhankelijk van
zijn visie en van de tijdgeest. Toch zal de artiest ambiëren om “iets te doen.”
Ik gebruik het woord “iets” en “wat,” omdat dit dus afhankelijk is van de
persoon. “Te doen” geeft aan dat het gegeven kunstwerk wil activeren. Het
kunstwerk wordt niet gebruikt, het kan niet bevraagd worden, maar het probeert
wel te spreken. De toeschouwer wil zich laten verrassen, dat is dan ook wat wij
als publiek het liefst zien van kunst: dat het verrassend en origineel is. Op
die manier wil een kunstwerk ook overkomen, bijna overdonderend. Fro4ntaal,
rauw en naakt.
Het kunstwerk is
een opschudding met een gericht idee, een onderzoek naar een bepaalde conditie, situatie etc. Het is niet
enkel een communicatiemiddel op zich, maar een activerend communicatiemiddel.
Het fabriceert een herinnering, een kritiek, een experiment. Kunst mag
experimenteren om tegen het dagelijkse leven in te gaan. De volgende zin van
Jeroen Mettes laat dat geweldig zien: ‘Wij waren op de vlucht voor de politie,
omdat we uit protest tegen het dagelijks leven een maïsveld in brand hadden
gestoken.’[iv]
Kunstenaars vertellen
ons niet per se wat we moeten doen, maar geven ons juist de vrijheid om het
normale, de dagelijkse gang van zaken, aan de kaak te stellen. Het probeert een
bewustzijn te creëren voor het kleine, het opmerkelijke, het mooie, het
ingenieuze, het schrikbarende, het lelijke – voeg er met een gerust hart nog vele
bijvoeglijk naamwoorden aan toe.
Het biedt ons geen
zekerheid, relaas of toevluchtsoord, maar juist een zekere energie om ergens
tegen in te gaan. “Jou” is hopelijk niet meer “jou.” “Jou” is op een andere
manier “jou” geworden.
Zo kan kunst gezien
worden als een fitnessapparaat voor het dagelijkse leven. Niet meteen een
hulpmiddel, maar een participerend middel.
Dit betekent niet
meteen dat kunst in mijn ogen reactief hoeft te zijn; de kracht zit ‘m juist in
de vrijheid van de bepaaldheid. ‘Kunst mag dat,’ hoort men te zeggen.
De participerende gedachte die
het werk teweegbrengt
Het is niet enkel dat
het kunstwerk bij de (oplettend) toeschouwer een gedachte teweegbrengt, want
hij is nog steeds bezig met het kunstwerk. Een artikel brengt enkele gedachte
teweeg, namelijk de stof van het artikel die tot nadenken aanzet. Maar kunst
bezorgt niet alleen een gedachte (bv. Wat zou dit kunnen zijn? Oh wat
gruwelijk!); het roept een reactieve gedachte op die op zichzelf gedacht wordt,
maar ook verhouden wordt tot het kunstwerk zelf. Het is daarmee niet een op
zichzelf staande hersenspinsel, maar een participerende gedachte, die vastligt
voor de toeschouwer in het kunstwerk. Het is deze participerende gedachte die
zorgt dat het kunstwerk leeft.
Dat is de
participerende kracht van kunst. Om twee zinnen te herhalen van de vorige
bladzijde: ‘Zo kan kunst gezien worden als een fitnessapparaat voor het
dagelijkse leven. Niet meteen een hulpmiddel, maar een participerend middel.’
Omdat kunst het enige ding is tussen alle andere dingen die een participerende
gedachte opwekt. Deze objecten laten iets in ons leven.
Kunst laat ons
dagelijks leven leven.
[i] Uit het essay Schrijven en lezen van Jeroen
Mettes, blz. 262 van het boek Weerstandsbeleid
[ii] Zoals Heidegger dat noemt
[iii] Ik moet hier altijd denken aan het idee dat in
wezen boeken ons tot slaven maken van de door het boek voorgestelde fantasie.
Het is niet alsof wij beslissen wat er gebeurt, maar wij denken het wel.
Terwijl op het moment dat je een ‘oppervlakkige’ film kijkt zelf totaal niet
participeert.